
Het orgel is door de eeuwen heen door bekende orgelmakers onderhouden en op sommige momenten zijn kleine wijzigingen aangebracht. Twee mijlpalen zijn echter voor de geschiedenis van het orgel nà het jaar 1742 in het bijzonder van belang.
In 1850 werd het orgel gedemonteerd door orgelmakers Flaes en Brünjes. De hallenkerk werd vanwege bouwvalligheid gesloopt en in de periode 1850-1853 vervangen door het huidige kerkgebouw (architect W.A. Scholten). Flaes en Brünjes bouwden het orgel in 1853-1854 op in de nieuwe kerk. Het instrument werd geplaatst tegen de westgevel van de centraalbouw, de huidige plaats. Bij deze herplaatsing voerden zij enkele dispositie- wijzigingen door, vervingen zij de klaviatuur en koppelingen en pasten zij de intonatie van pijpwerk aan.
In 1976 ving de volgende belangrijke fase aan. De kerk werd door de Hervormde Gemeente afgestoten. Het orgel werd gedemonteerd, het binnenwerk en de frontpijpen werden opgeslagen en het kerk- gebouw ging fungeren als het stedelijke theater.
Vele jaren lang is gestreefd naar restauratie en herplaatsing van het orgel, maar pas in de late jaren ’90 leek het serieus te kunnen lukken. Het theater zocht een ander onderkomen en de vlakbij gehuisveste R.K. Parochie was bereid tot een gebouwenruil. Zo is de Nicolaaskerk omgebouwd tot theater De Purmaryn en werd de Koepelkerk weer kerkelijk gewijd en omgedoopt tot Nicolaaskerk.
De Stichting Restauratie Garrelsorgel Purmerend vond mogelijkheden tot fondswerving, de Gemeente Purmerend was bereid het orgel voor een symbolisch bedrag aan deze stichting over te dragen zodat fondsen succesvol konden worden aangeschreven, en de kerk kreeg een zogeheten kanjersubsidie van de Rijksoverheid waarbij ook de restauratie van het orgel was meegenomen.
Flentrop in Zaandam kreeg de restauratieopdracht en werkte daarbij samen met Jan Jongepier. Schilder IJsbrand Kuiper uit Zaandam ontving de belangrijke opdracht om de originele kleurstelling terug te brengen.
In september 2003 is het orgel onder veel belangstelling en met een afwisselend programma weer feestelijk in gebruik genomen.
De voorgeschiedenis van het orgel tot 1738Om het definitieve restauratieplan te kunnen maken moesten adviseur en orgelmaker onderzoeken in hoeverre het orgel dat Rudolph Garrels aantrof in 1738 aan de hand van de onderdelen te reconstrueren zou zijn.
Geconcludeerd kan worden, dat waarschijnlijk kort na de voltooiing van de 3-beukige gotische hallen- kerk in 1520 het eerste orgel in de kerk is geplaatst. Onderzoek van de orgelpijpen heeft aangetoond dat ongeveer 150 stuks uit de zestiende eeuw stammen en er zijn indirecte verwijzingen naar de aanwezigheid van een orgel in archieven te vinden.
De tonen die bij de oude pijpen passen geven de indruk, dat het oudste orgel een klavieromvang van FGA-g2a2 zou kunnen hebben gehad.
De eerste vermelding van het orgel in Purmerendse archieven dateert van 1613 (oudere archieven zijn lang geleden door brand verloren gegaan). Uit notulen is verder op te maken, dat er na de Alteratie lange tijd discussie is geweest over het al dan niet gebruiken van het orgel ter begeleiding van de gemeentezang. Pas rond 1666 lijkt dit definitief ingang te hebben gevonden. Van uitgebreide werkzaamheden aan het orgel werd geregeld notitie gemaakt.
Jacobus Galtus van Hagerbeer ontving een fors bedrag voor een grote (onbekende) ingreep in 1656.
In de 17e eeuw is het orgel in elk geval vergroot tot een klavier- omvang van 45 tonen (CDEFGA-c3). In 1703 voerde Gerrit van Giessen reparaties uit en leverde hij een Rugpositief – een duidelijke uitbreiding van het instrument.
Eén van de huidige spaanbalgen vermeldt het jaartal 1703. Twintig jaar later pleegde Mattijs Verhofstad herstelwerkzaamheden.
In 1729 komt de naam van Garrels (1675-1750) voor het eerst in de
Purmerendse archieven voor; hij kende het orgel dus reeds voordat hij de opdracht kreeg voor de vernieuwing. Bovenstaande opsomming, gecombineerd met zinsneden uit het bewaard gebleven gedeelte van de opdracht aan Garrels en sporen gevonden op de onderdelen geven aanleiding om te concluderen dat het orgel in 1739 bestond uit een sinds de zestiende eeuw geregeld uitgebreid orgel met verkort octaaf (zonder Cis, Dis, Fis en Gis). Het had in elk geval een Hoofdwerk en Rugpositief; of het meer klavieren had is niet te achterhalen.
Het werk van Garrels 1738 – 1742 – 1745De uiteindelijke opdracht die Garrels realiseerde bestond uit een orgel met drie handklavieren en vrij pedaal.
Hoofdwerk (14 registers) en Borstwerk (7 registers) werden in de hoofdkas gebouwd; het Rugwerk (10 registers) zoals gebruikelijk achter de rug van de organist en het Pedaal (8 registers, waaronder Prestant 16’ en Bazuin 16’) in twee laaggeplaatste torens ter weerszijden. De klavieromvang werd vergroot van 45 tot 49 tonen ofwel 4 octaven (C-c’’’).
Voor het Rugwerk kon Garrels de oude Hoofdwerklade gebruiken. Om deze inclusief de extra toegevoegde pijpen in het rugwerk-kasje (uit 1703) te kunnen plaatsen besloot hij de zijwanden van het meubel uit te klappen zodat een breder front ontstond met daarachter een grotere ruimte. De oude Rugwerklade werd gebruikt voor het nieuwe Borstwerk, ook hier inclusief een uitbreiding van de omvang. Voor het Hoofdwerk en Pedaal werden uiteraard nieuwe windladen gemaakt. Hij nam vrijwel al het pijpwerk uit het bestaande orgel over en vermoedelijk ook drie spaanbalgen, waar er twee aan werden toegevoegd.
Het meubel werd apart aanbesteed bij Joh. Romans; het uiterlijk werd fraai versierd met goud, en er werd een soffiet van sierstucwerk onder het orgel aangebracht.
Enkele jaren na de ingebruikname, in 1745, verving Garrels de in l742 geplaatste Dulciaan 16’ van het Rugwerk nog door een Trompet 8’ (dit was kennelijk oorspronkelijk ook de bedoeling geweest).
Tot in de 19e eeuw zou het vervolgens geen veranderingen meer ondergaan.
In eerste instantie heeft Garrels in 1737 een beperkte opdracht gekregen Dit is bekend uit de archieven, maar wat de oorspronkelijke opdracht was is niet overgeleverd. Ook hiervan heeft het onderzoek van de onderdelen een tipje van de sluier opgelicht, zoals wijzigingen die Garrels aanbracht in boringen die hij zelf eerder gemaakt had in stokken en roosters. Wellicht betrof het oorspronkelijke bestek zelfs de bouw van een nieuw orgel in de oude orgelkas.
Gedurende de periode van 1745 tot 1850 is alleen door orgelmaker Leonardus van den Brink bijzonder werk uitgevoerd. In 1809 voerde hij technisch herstel uit en nadat de kerk in 1825 bij een overstroming als vee-stal was gebruikt en het orgel door vochtinwerking was geteisterd, voerde hij herstelwerkzaamheden uit. Bij deze gelegenheid verving hij de Gemshoorn 2’ door een Viola di Gamba 8’ – de eerste dispositie- wijziging sinds 1745 en introductie van een modern geluid.
1850 – 1853 Oud orgel in een nieuwe kerkDe voormalige kerk werd in 1850 wegens bouwvalligheid gesloopt, zodat in het centrum van Purmerend niet meer een middeleeuwse oude stadskerk te vinden is, maar een relatief modern gebouw uit 1853, ontworpen door architect W.A. Scholten (1818-1861) met een achthoekig grondvlak en gebouwd in de (in Duitsland toen gangbare) Rundbogenstil.
Voor de afbraak van de kerk werd het orgel gedemonteerd door Flaes en Brünjes. Toen het nieuwe kerkgebouw gereed was bouwden Flaes en Brünjes het orgel in 1853-1854 op in de nieuwe kerk. Het instrument werd geplaatst tegen de westgevel van de centraalbouw. Doordat het wat ingekapseld is tussen de bogen oogt het niet zo voornaam als in de oude kerk, maar het meubel kon ongewijzigd op de nieuwe plaats
worden aangebracht (alleen het soffiet is toen verdwenen).
De orgelmakers van Flaes en Brünjes hebben tijdens de demontage in 1850 een zeer exacte ‘boekhouding’ gevoerd van de plaats waar elke pijp stond, en ook overige onderdelen uitgebreid gedocumenteerd. Met name de markeringen op de pijpen hebben een schat aan informatie opgeleverd voor de reconstructie.
Bij de herplaatsing hebben de orgelmakers het instrument voorzien van nieuwe klavieren en koppels, maar ook aangepast aan een toen gangbaar klankbeeld. Een wijdere mensurering, verkleining van voetopeningen en verhoging van de winddruk zijn duidelijk door Flaes en Brünjes uitgevoerde ‘moderniseringen’. Verder was sprake van het overschilderen van de orgelkas in 1853 en 1859.
1853 – 1976 Kleine wijzigingenKnipscheer voerde herstelwerk- zaamheden uit in 1879: de frontpijpen worden opnieuw van tinfolie voorzien. Tot 1896 deed Knipscheer het onderhoud, dat vervolgens overging naar L. van Dam & Zn. In 1902 is de kas in pasteltinten geschilderd en werden de frontpijpen van aluminiumverf voorzien. In 1911 voerde H.W. Flentrop uitgebreide werkzaamheden uit: in eerste instantie herstel balgen en windladen, daarna algeheel herstel en schoonmaak. Op het Borstwerk werden de Echo-viool 8’, Salicionaal 4’ en Octaaf 2’ vervangen door Gamba 8’, Voix Celeste 8’ en Fluit harmonique 4’disc. In 1922 plaatste H.W. Flentrop een pneumatische tremulant op het Borstwerk en in 1928 is een electrische windmachine geplaatst en zijn de twee onderste spaanbalgen vervangen door een magazijnbalg.
In 1919 werd een voorstel voor een vrijwel nieuw orgel achter het oude front ter zijde gelegd.
In de periode 1940-1945 herstelde organist A.W.Blokhuis de laden van Rugwerk en Pedaal. Tevens vernieuwde hij delen van de pedaalmechaniek. In 1947 voerde Ernst Leeflang een restauratie door. Naast algeheel herstel zijn enkele dispositie wijzigingen uitgevoerd op het Borstwerk en Hoofdwerk.
In 1971 verliet de Hervormde Gemeente de Grote Kerk. Het orgel werd in 1976 gedemonteerd door Flentrop Orgelbouw, de kas bleef in de kerk achter. Tot 2000 bleef het orgel in de werkplaats van de fa. Flentrop te Assendelft opgeslagen.
Gedurende 12 jaren heeft het gebouw als multifunctioneel centrum gefunctioneerd onder de naam Koepelkerk. In 1989 is de kerk door de R.K. Nicolaasparochie als Nicolaaskerk in gebruik genomen. In 1989-1999 werd een uitgebreide kerkrestauratie doorgevoerd.
2001 - 2003 Restauratie en terugplaatsingBij testament van Jan ten Cate werd na diens overlijden in 1996 de Stichting Restauratie Garrelsorgel Purmerend opgericht. Met grote inzet van het bestuur van de stichting (Peter Kersloot, Wolbrecht van Heuvel, Anneke Schoorl en Yvonne Wilders) en met steun van de Rijksoverheid werden de middelen voor restauratie en terugplaatsing van het Garrels-orgel gevonden. Jan Jongepier was vanaf 1976 reeds als adviseur bij de voorgenomen restauratieplannen betrokken en werd nu ook door de stichting hiervoor aangetrokken.
De kas werd geheel hersteld en in oorspronkelijke kleuren geschilderd door IJsbrand Kuiper Schilderwerken welke. Ook het verguld- en verzilverwerk werd door hen uitgevoerd. De frontpijpen werden van tinfolie voorzien. Adviseur en orgelmaker onderzochten de orgelonderdelen en na zeer uitgebreid onderzoek en overleg werd de situatie van 1854 als uitgangspunt genomen, gezien de grote invloed van het werk van Flaes en Brünjes (1853-1854) op het pijpwerk-bestand en de klank en ook vanwege de onbekendheid met de situatie van vóór 1742. Nadat de werkzaamheden nader waren beschreven en besproken kon de restauratie van start.
De dispositie wordt op enkele punten hersteld, waarbij een Compromis tussen de situatie van 1854 en de oorspronkelijke dispositie is nagestreefd:
De Nicolaaskerk van Purmerend: drie historische orgelsDe huidige kerk aan de Kaasmarkt van Purmerend dateert uit het jaar 1853. In de “Grote Kerk” deed sindsdien het Garrels-orgel dienst. In de 20e eeuw werd het een aantal jaren lang vergezeld door een Bätz-orgeltje als koororgel, dat gebouwd was voor een particulier in Amsterdam.
Na de theater-periode van de 70er en 80er jaren van de 20e eeuw werd het gebouw in 1989 door de R.K. Parochie HH. Nicolaas en Catharina in gebruik genomen. Een kerk zonder orgel, met alleen een lege monumentale orgelkas.
In 2000 kon de Nicolaasparochie een orgel overnemen uit de nabijgelegen voormalige Doopsgezinde Kerk aan de Kanaal-straat. Dit orgel was in 1864 door Christian Gottfried Friedrich Witte gebouwd en verkeer-
de in praktisch ongewijzigde staat.
Het werd in de jaren ’90 door Flentrop gerestaureerd en in de reeds eerder geplaatste orgelkas ingebouwd.
Sindsdien begeleidt het orgel de mis en het koor. Het staat op een balkon in één van de bogen, en past zowel uiterlijk als klanktechnisch uitstekend in het gebouw.
Het Garrels-orgel kwam in 2003 terug in de kerk, en tegelijkertijd kreeg ook het Bätz-orgeltje na vele omzwervingen weer een plaats in deze kerk. Dit instrument dateert uit 1777 en werd gebouwd door Gideon Thomas Bätz, die daarbij van ouder pijpwerk gebruik maakte. Tot 2003 stond dit prachtige instrument in de Raadzaal van het voormalige stadhuis, aan de overkant van de Kaasmarkt. Dit Bätz-orgel had aan het eind van de jaren ’70 reeds een restauratie ondergaan.
Met drie gerestaureerde historische orgels van verschillende aard en omvang is de Nicolaaskerk van Purmerend een in Nederland bijzondere orgellocatie.
Jan Jongepier 1941-2011Jan Jongepier ontving zijn eerste orgellessen van zijn vader, die amateur-organist was. Hij vervolgde zijn studie bij Cor Kroonenberg te Zaandam voor het Staatsdiploma Orgel A (1962). Aan het Conservatorium van Amsterdam verwierf hij het einddiploma solospel bij Piet Kee en in 1971 de Prix d’Excellence.
Jan Jongepier won in 1968 het Nationaal Imrpovisatieconcours in Bolsward en het Internationaal Improvisatie Concours van Haarlem bracht hij driemaal achtereenvolgens op zijn naam (1970, 1971 en 1972).
Op 16-jarige leeftijd werd Jongepier na een vergelijkend examen tot organist van het Garrels-orgel in de Grote Kerk van Purmerend benoemd. Dat bleef hij tot de demontage van het orgel in 1976. Van 1981 tot 2006 was hij organist van het Müller-orgel in de Grote- of Jacobijnerkerk te Leeuwarden.
Als orgeldocent was Jongepier verbonden aan de conservatoria te Leeuwarden en Groningen.
Hij concerteerde op vele plaatsen in Europa en daarbuiten, maakte vele programma’s voor radio en tv, en een groot aantal door hem volgespeelde grammofoonplaten en cd’s werd uitgebracht.
Als orgeldeskundige had Jan Jongepier een grote naam. Hij schreef een groot aantal boeken en talloze publicaties over orgelbouw en orgelhistorie. Ruim dertig jaar was hij werkzaam als adviseur bij nieuwbouw en restauratie van orgels.
Vele jaren gaf hij leiding aan excursies en reizen naar historische orgels in geheel Europa.
In 2003 werd hem de Jan Pieterszoon Sweelinckprijs toegekend voor zijn verdiensten voor de Nederlandse orgelcultuur.
Na de restauratie en de terugkeer van het Garrels-orgel in de Nicolaaskerk van Purmerend werd hij in 2003 benoemd tot organist- titulaire van dit instrument, hetzelfde orgel waar hij van 1957 tot 1976 als organist aan verbonden was geweest.